Sterrenkijkers: hoe, wat en waarom.

Om sterren, planeten of zelfs nevels te kunnen waarnemen heb je een sterrenkijker nodig. Nou zou je denken: ‘Prima, dan koop ik een sterrenkijker’. Zo simpel is het echter niet. Naast dat ze niet goedkoop zijn, heb je ook nog verschillende sterrenkijkers voor verschillende doeleinden. Zo heb je spiegelkijkers (reflector) en lenzenkijkers (refractor). Ander woord, in dit geval, voor kijker is telescoop, wat ik vanaf nu ga gebruiken.

Oculair

Een oculair is een lens waardoor je kijkt als je iets aan de hemel waarneemt. Het oculair zorgt ervoor dat het beeld dat gevormd wordt, wordt vergroot. Je kunt dus verschillende oculairs gebruiken voor verschillende beeldgroottes.

Spiegeltelescoop (reflector)

Het basisprincipe van een spiegeltelescoop is als volgt: in de buis van deze kijker zit een hol gebogen spiegel. Deze vangt het licht dat binnenkomt op, bundelt dit en reflecteert het naar een kleiner spiegeltje. Dat kleine spiegeltje reflecteert het naar het oculair.

Onder de spiegeltelescopen heb je nog acht verschillende constructies. Hieronder de benaming en de werking ervan:

(Er wordt hieronder gesproken over Parabolisch en Hyperbolisch. In dit geval komt het er min of meer op neer dat Parabolisch hol, en Hyperbolisch bol is. Wiskundig gaat dit met hele ingewikkelde formules en grafieken.)

–      Newtontelescoop

–      Herscheltelescoop

–      Gregoriaanse telescoop

–      Klassieke Cassegraintelescoop

(Hoofdspiegel (rechts)  is parabolisch  en de secundaire spiegel (links) is negatief hyperbolisch) 

–      Kuttertelescoop

–      Ritchey-Chrétien telescoop

 (Afgeleid van de Cassegrain, alleen is zowel de hoofd- als de secundaire spiegel hyperbolisch. Zoals je op de plaatjes ziet is de werking van de twee verder hetzelfde)

–      Dobsontelescoop

Bron bovenstaande foto’s: Wikipedia

–      Vloeibarespiegeltelescoop

Ook wel vloeibaarmetaal- telescoop genoemd. Op de plek waar de hoofdspiegel zit die het licht opvangt, draait hier een cilindervormige bak met een constante snelheid rond. In die bak zit vloeibaar metaal, die door de omwentelingen de vorm van een parabool aanneemt (het oppervlak wordt hol). Deze kan alleen recht omhoog (het zenit) gericht zijn. Als je deze kijker zou bewegen, blijft het oppervlak van het vloeibare metaal niet glad en heb je geen beeld meer. Deze telescopen worden daarom alleen gebruikt bij onderzoek waarbij de telescoop alleen recht omhoog gericht mag zijn.

Lenzentelescoop (refractor)

Bij de lenzentelescoop vangt de grote lens het licht op en bundelt deze. Het smallere straaltje licht wordt dan naar het oculair gestuurd.

Werking lenzentelescoop

Bron foto: Kleutersopverkenning.be

De lenzentelescoop kent maar twee verschillende soorten: De Hollandse telescoop en de Keplertelescoop.

De Hollandse telescoop heeft een negatief oculair. Het beeld wat je ziet is dan rechtop zoals je het met het blote oog ziet. De beeldhoek (beeldhoek is de hoeveelheid beeld dat je kunt zien. Als je oogkleppen op zou doen is je beeldhoek veel kleiner dan normaal) is echter beperkt, waardoor het licht van het hemellichaam wat je waarneemt precies middenin de lens moet vallen. Het is dus wat lastig om mee te werken.

De Keplertelescoop heeft echter een positief oculair. Hiermee heb je een veel grotere beeldhoek, maar je ziet het beeld op de kop. Nu is dat niet zo erg, omdat niets in de ruimte rechtop is. Wat in het heelal is rechtop? Er is geen boven en onder. De Keplertelescoop wordt in de astronomie het meeste gebruikt.

Wat gebruik je voor welke doeleinden

Wil je objecten bekijken die dichterbij staan, zoals de maan en de planeten, dan heb je aan een lenzentelescoop genoeg.

Wil je echter objecten bekijken die ver weg staan, zoals bijvoorbeeld nevels (“deep sky” genoemd), dan kun je beter een spiegeltelescoop gebruiken. De objecten dichterbij zijn bij sommige spiegeltelescopen niet heel scherp en de objecten ver weg wel. Er zijn soorten spiegeltelescopen waarbij je zowel dichtbij als ver weg scherp kunt waarnemen. Uit eigen ervaring kan ik zeggen dat een Cassegraintelescoop die eigenschap bezit.

Vanwege de hoeveelheid lichtvervuiling in Nederland, en vanwege het feit dat we op een erg laag zeeniveau leven, kun je hier het beste een telescoop met een diameter van ca. 10 cm gebruiken, zeker niet groter dan 15 cm. Je moet op een hele donkere en hogere plek op aarde zijn wil je een nog grotere variant kunnen gebruiken.

Hoe lager je zit hoe meer atmosfeer er aanwezig is waar je doorheen moet kijken. En hoe meer atmosfeer, hoe meer turbulentie. Turbulentie is een golvende beweging in luchtstromen. Kijk maar eens vlak boven asfalt op een hele warme dag. Hoe meer turbulentie je dus hebt, hoe waziger het beeld wordt. De grootte van de kijker bepaald hoeveel licht er in de kijker weerkaatst wordt. Hoe meer turbulentie de kijker moet verwerken, hoe moeilijker het dan wordt om het beeld scherp te krijgen.

Bron foto: Weather-photography.com

©Tekst Claudia Grootenhuis